Micha Hamel
Alle enen opgeteld

Uitgeverij Augustus

 

In het laatste gedicht van zijn debuutbundel, ‘Alle enen opgeteld’, vertelt Micha Hamel over de manier waarop hijzelf dichtbundels leest en beoordeelt: met enen en nullen; tel alle punten van de bundel bij elkaar op, deel het getal door het aantal gedichten en je hebt een cijfer. Schoolse logica. Ik geloof niet dat je poëzie op die manier kunt beoordelen, want waar blijven bijvoorbeeld de punten voor de samenhang, het geheel. En waar blijven de punten voor de afwisseling. Het bijzondere is dat deze bundel volgens deze berekening een lager cijfer krijgt dan het verdient; het bijzondere in deze bundel zit namelijk inderdaad in het geheel en de afwisseling, en ook in het jeugdige, de onverschrokkenheid van een jongeling die zonder angst de taal hanteert en (nog) geen last heeft van alles wat in het verleden geschreven is. Micha Hamel schrijft geen woorden die wekenlang gewikt en gewogen zijn voordat ze hun juiste plaats vinden, maar poëzie die toevallig oogt en meer lijkt te zijn ontstaan uit een ongeremd doorschrijven. Kortom, bij mij geen enen en nullen per gedicht, maar grote waardering voor het sterke geheel en de sfeer die in de hele bundel aanwezig is. Terecht is deze bundel genomineerd voor de C. Buddinghprijs en bekroond met de Lucy B en C.W. van der Hoogt-prijs.
Micha Hamel is ook componist en dirigent en in beide disciplines succesvol. Goed vind ik dat die kwaliteiten totaal geen rol spelen in deze derde discipline. M.a.w., Micha Hamel heeft met deze poëziebundel bewezen dat hij een dubbeltalent is, met een bijzondere combinatie van talenten; geen schilderende schrijver of schrijvende arts, geen filosofiebedrijvende dichter of een dichtende psychiater, die kennen we wel. Maar een dirigerende dichter? Bij mijn weten is Micha Hamel de eerste.

Nu ik zo dagen, weken in de bundel lees en met de toegankelijke en speelse taal van Micha Hamel verbonden ben, heb ik gevoel dat ik hem leer kennen – hij is zeer aanwezig in zijn gedichten. Hij heeft geen last van onzekerheid, (zijn dirigenten niet per definitie zeker van zichzelf?) en durft te schrijven, hij voelt zich volkomen vrij om de taal virtuoos en gulzig te gebruiken: dat levert lange gedichten op.
De bundel begint met een serie van 7 gedichten, getiteld ‘Schoolgeld’: een week uit het herkenbare of voorstelbare leven van een puber, beschreven door een man van 35, want zo oud is Micha Hamel.

Maandag

Het hoofd is nog niet wakker, het lijf wordt beschermd
door een schildpadschild van een ongewenst goedkope donsjas.
Tanden zijn gepoetst, doch dusdanig wordt de hondenadem
gevreesd dat kauwgum vierentwintig uur paraat is. Oksels
omstandig aangestreept met deodorant, ronduit meisjesachtig
zijn de rode wangen die oplichten bij schrik en bewondering, in gesprek
met al het onverwachte, in geval van diefstal, toneelspel, zang en dans.

(Uit: Donderdag)
De kuise sneeuwpop op wie ik verliefd was zou achttien jaar
nadien van verveling zelfmoord plegen in Londen, onbesproken,
op donderdag. Te mooi om te treuren, te zoet om te zien.

De mooiste afdeling van de bundel vind ik ‘Zoonschap’, waarin zijn vader centraal staat, of nee, anders, waarin de zoon denkt aan wat zijn vader voor iemand was, wat hijzelf voor zoon was en ook weer vader is voor zijn eigen zoon, en daarbij zijn gedachten vrijelijk laat stromen. Daarbij komt hij op een gegeven moment tot een bijzonder stukje prozaïsche poëzie, dat dient als bewijsvoering voor de stelling dat God geen vrouw kan zijn, maar waarmee Micha Hamel in mijn beleving zijn eigen vader beschrijft:

Een vrouw zou nooit vanuit het niets ineens solitair gaan zitten scheppen, dagenlang met zichzelf pratend. Nooit zo hard ingrijpen en wellustig het gemaakte kunnen vernietigen (ook nooit haar zoon zo laten lijden – een vader bouwt graag op deze wijze aan het karakter van zijn zoon). Maar bovenal zou ze zich niet afwenden als de relatie met het zelfgedragen kind bekoelt. God, die ergens anders opnieuw begonnen is en nu betere dingen maakt, kijkt natuurlijk niet meer om naar zijn mislukte pogingen. Wij dwalen in het duister van zijn vuilnisbak en vragen ons af waarom hij ons niet meer gidst, aan de hand neemt, of de wereld wat wonderen doet. Vraag iemand naar zijn moeder, krijg je een verhaal van verbondenheid, goed of slecht. Onaangenaam maar zinvol weetje: Alle mensen in doodsangst schreeuwen mama.

In het gedicht ´Biobak’ toont hij het bizarre van de dood. Om even op de schoolse becijfering terug te komen: dit gedicht verdient absoluut geen 1. Er zitten teveel slordige en overbodige zinnen in, de dubbele betekenissen van de woorden beleggen en smeren is mager uitgewerkt, maar het prachtige begin maakt het gedicht zeer indringend.

Biobak

Toen ik de luchboterham van mijn vader (stak zijn hand bij het afslaan uit –
hoed stond hem goed) in de biobak kieperde aangezien hij die ochtend
overleden was, had ik geen gedachte
het vermelden waard:

Zoals het brood tot compost wordt zo zal ook

mijn vaders lichaam de aarde tot voedsel zijn.

Ik had die boterham ook gewoon op kunnen eten, maar
kon het eenvoudig niet.
Geen honger
Maag vol verdriet.

Hij stopte het in zijn tas, knoopte het zakje dicht, hij belegde,
vanmorgen smeerde hij hem.

Voor wie deze dichtbundel nog niet in huis heeft (er is al een tweede druk; voor een poëzie-uitgave is dit debuut dus al bijzonder succesvol): koop de bundel (40 gedichten, 70 goedgevulde bladzijden), lees en laat je meevoeren. Kijk vervolgens uit naar nummer twee. Het zou me niet verbazen als die al in de maak is.

 

Roodkoper, augustus 2005 - 3