Michel van der Plas
Vreemdeling op doortocht
(een keuze uit zijn religieuze poëzie)
Uitgeverij Ten Have
Zoals ik geen bundel vol met liefdesgedichten achter elkaar uit moet lezen (omdat ik dan de behoefte krijg om iemand te slaan), zo moet ik ook niet teveel religieuze gedichten achter elkaar tot me nemen; steeds weer die geweldige, onzichtbare God, van wie van alles verwacht wordt. Hoe vaker hij wordt aangeroepen, hoe minder hij tevoorschijn komt.
Michel van der Plas is zich hiervan bewust en voorkomt dat effect door zelf in zijn bundel al het nodige aan God te twijfelen. En die twijfel is dan steeds net genoeg om weer verder te kunnen geloven.
“Vreemdeling op doortocht” heet de keuze die hij maakte uit zijn religieuze poëzie van 25 jaar. Een mooie, afwisselende keuze. Niet alleen geloof en ongeloof wisselt hij af, maar ook persoonlijk verhalende gedichten en gebed. Mijn voorkeur gaat uit naar de persoonlijke verhalen.
Hij begint de bundel met Anna, die over Maria spreekt tot Jozef. Het komt uit de bijbel zonder dat het daar ergens is te lezen. Wat Anna ervan vond dat haar dochter de moeder werd van Jezus? Michel van der Plas vertelt het ons:…
Er zijn grote dingen aan haar gedaan.
Er zijn dingen aan haar gedaan
en wij zijn niet gewaarschuwd, wij hebben de duiven
niet achter haar sluier neer zien strijken.
We zijn bedrogen;
zij is al hemelend; goud en al gewogen;
zestien en zonder gisteren;
zestien en met verzadigde ogen.
…
Wij zullen zwijgen, jij en ik,
wij zullen dikwijls eenzaam zijn voortaan,
…Jozef antwoordt haar in een volgend gedicht: “Met grappen in de deur is het begonnen,/ en dat was nog te dragen”. Op oude schilderijen wordt Jozef vaak afgebeeld als een bejaarde. Voor een jonge man zou het allemaal té erg zijn. In dit gedicht wordt Jozef uitgelachen door de vrouwen bij de put. Maria is zwanger, maar van wie? Jozef twijfelt “tot vannacht./ Er was een droom vannacht, een bliksemschicht,/ er was een engelachtig licht,/ dat stem kreeg en verklaarde, mij en haar/ en wat wij wisten van elkaar,/ en dat het goed is voor Gods aangezicht.” Van der Plas maakt van Jozef een grotere gelover dan van Anna.
Het daaropvolgende gedicht is het Kerstverhaal, maar dan vanuit een ongewoon perspectief: door de ogen van de vrouw van de herbergier. Zij spreekt tot een gast, die jaren geleden net als zij getuige was van die opmerkelijke gebeurtenis:Hoe wild de sneeuwjacht buiten was
merkten we pas toen we in de nacht
die keurige stumperds aan de voordeur vonden.
Wat konden we doen? We zaten vol.
De vrouw kon niet meer staan: haar lippen bewogen.
Het was haar tijd. De zweetdruppels stonden
als parels boven haar ogen.
Ik kon ze alleen de stal laten zien.
Ik schaamde me zo
om wat ik ze daar moest laten zien:
de beesten, de lege zakken, het stro
en omdat je duidelijk kon horen
hoe er vóór geroepen werd om wijn.
Vlak daarop moet het kind geboren zijn.Michel van der Plas gebruikt een taal, met onopvallend rijm, die heel dicht ligt bij spreektaal. Daarmee en met het ongewone perspectief, brengt hij het ‘verheven’ verhaal terug tot menselijk formaat, waardoor je het gevoel krijgt dat je er bij was.
De bundel is opgebouwd uit afdelingen met ‘persoonlijke’ gedichten (zoals Columbus die moeite heeft met geloven: “Kom te voorschijn, ik wil leven,/ hier en nu, want ander leven,/ later(vergeef me) vertrouw ik niet”, de goede moordenaar die gered wordt, de Emmaüsganger die een vreemdeling op doortocht tegen kwam), met daartussen intermezzo’s: gebeden, psalmen en gedichten die gezongen zouden kunnen worden. Vaak zijn dat rijmende sonnetten. In het voorwoord zegt Van der Plas dat de gedichten uiteenlopende levensmomenten weerspiegelen en dus aanzienlijke contrasten bieden tussen kinderlijk geloof en existentiële angst. Dat vind ik vooral terug in de intermezzo’s. De toon is vaak volwassen: “Als God mij thuisbrengt uit mijn ballingschap/ dat zal een droom zijn. Als, bij het ontwaken/ tussen de zwijnen met een lege nap,/ ik hongerig naar mijn vaders huis zal haken.”, maar ook worden hier kinderlijke vragen gesteld: “Vult hij de leegte nog in het heelal?/ De stilte van de slaap? Vangt hij de bal/ van onze aarde in een kwade wind?// En telt hij nog de haren op mijn hoofd?/ En ziet hij ’t door de vingers als zijn kind/ zo af en toe niet meer in hem gelooft/.” En tussendoor roept een gedicht zomaar een bijna uitgestorven jeugd op: Bidden was met je knieën op de grond/ je hoofd voorover in een warme stoel;/ het pluche gaf je een diep vertrouwd gevoel,/ iets van een antwoord voor je open mond”. De bundel heet “Vreemdeling op doortocht”, maar ik voel me er toch aardig thuis.
Roodkoper, augustus 2002 - 4