Mischa de Vreede
Zeestenen

Uitgeverij De Prom

 

Iemands eerste publicatie wordt een debuut genoemd. De eerste kennismaking met iemands werk zou eigenlijk ook een debuut moeten heten, maar dan dat van de lezer. ‘Zeestenen’ is mijn debuut van het werk van Mischa de Vreede, die in 1959 al voor het eerst van zichzelf liet lezen.
Ze is geboren in 1936, dus nog voor de oorlog (die we dé oorlog blijven noemen totdat er een nieuwe komt). Ik geloof dat die oorlog nog steeds huist in haar, ook al is haar naam Vreede.
Haar gedichten doen me denken (niet dat ze daar over gaan of dat er over gesproken wordt) aan de jaren ’80: de demonstraties tegen kruisraketten, de hoogtijdagen van het pacifisme, de brekende zachtheid van de 8 meibeweging, kortom de tijd van de zachte revoluties. In vergelijking met die tijd is onze tijd, nu en hier, vreselijk hard. Wij verbazen ons vandaag de dag bijna nergens meer over en om nog iets te voelen, om nog iets te kunnen aanrichten bij andere mensen, zoeken we de extremen. Wat we zien op de televisie schokt ons nauwelijks nog, terwijl daarop toch te zien is hoe aan alle kanten grenzen overschreden worden; de taal die gesproken wordt op televisie, maar ook op school en op straat wordt steeds grover. Het kan niet anders dan dat de taal in de poëzie mee verandert en vergroft. De taal uit ‘Zeestenen’ echter lijkt niet van onze tijd, maar uit die vrede zoekende jaren ’80. De Vreede schrijft ontwapenend eerlijk over zichzelf. Zo ontwapenend dat elke vorm van negatieve kritiek ongepast lijkt. De Vreede wil het slechte bezweren door het goede te benoemen. Zo schrijft ze over onschuldige dingen: kinderen, oude mensen, vogels, honden. En natuurlijk, zoals de titel doet vermoeden over de zee, de zee die van nature goed is, al schetst De Vreede haar ook als een femme fatale die ruikt tussen haar dijen naar:’kom maar!’ en de mannen verleidt met een poeslief: ‘hier heb je een bootje en/ voorzichtig hoor!’ Maar op een onverwacht moment kan toeslaan: als ze wil maakt ze de roerganger koud/ trekt ze met lange armen/ de Fisherman’s Friend naar zich toe:/ ‘had je heimwee? ik ben je thuis/ je huid maak ik week/ ik kleed je uit/ ik sabbel ik zuig ik zuiver/ en groter dan levend/ spuug ik je uit’. De zee lijkt in een ander gedicht zelfs een man uit haar eigen verleden te zijn, die haar bezoekt in haar slaap en haar nat maakt.
De Vreede wil het slechte bezweren, al draagt ze het slechte onmiskenbaar met zich mee in de vorm van treurige herinneringen. Die herinneringen worden meestal niet letterlijk benoemd, maar zoals hier omfloerst beschreven:

door omstandigheden
- laat ik zo die oorlog maar noemen -
te vroeg opgetild uit de tuin
van mijn kindertijd
….
door omstandigheden
te vroeg aan de weet gekomen
hoe de ene mens de ander
kan gaan schoppen en slaan
en ook dat je altijd moet buigen
voor wie je de baas is

‘maar buigen doe je van buiten
van binnen buigen wij niet’

sindsdien voor niemand meer kunnen buigen
nooit meer een baas geduld

De gedichten die meer gedetailleerd beschrijven wat er gebeurt, laten bij mij een diepere indruk achter. Zoals het  gedicht ‘Vergeefs’, dat gaat over een oude, zielige hond in Town Beach, Amerika. De ik (De Vreede) koopt uit mededogen een hotdog voor die arme ziel en gooit het naar hem toe. De hond echter, gewend aan rake stenen,/ holde schonkig/ van mijn goedheid vandaan. De Vreede rent achter dat beest aan met die hotdog in haar hand, maar de hond begrijpt haar hulp niet en verdwijnt. wat moest ik toen met dat worstje? wat met mijn goedertierenheid/ noem het liefde?
Een mooi, aangrijpend verhaal, en niet zonder humor. Je ziet het voor je als een slapstick. Maar ook roept het de vraag op of De Vreede zich soms met die hond identificeert. Het gedicht belicht echter de andere kant en eindigt met twee regels die ik liever niet gelezen had: verkeerd begrepen/ zo is mijn leven nu eenmaal. Op dit soort momenten is De Vreede mij té eerlijk, té expliciet en haalt ze bovendien de humor onder het gedicht vandaan.

Op de achterflap staat dat De Vreede zich in de jaren ’90 ging toeleggen op ‘oral history’. ‘Een verhaal vertellen is ongeveer het liefst wat je ander kunt aandoen’. Dat haar gedichten vertellend zijn en soms het vertellen zelf als onderwerp hebben, is dan ook niet verwonderlijk. Ze rijmt niet, gebruikt geen vast metrum maar schrijft lange zangerige gedichten die zich uitstrekken over meerdere pagina’s. Ook zijn haar woorden nooit moeilijk, wat overigens niet wil zeggen dat ze diepgang missen. Het gevaar bestaat echter dat je daar als lezer niet achterkomt, als je denkt dat je het na één keer wel gelezen hebt. Van ‘moeilijke’ dichters weet iedereen dat een gedicht meerdere keren gelezen moet worden voordat het iets van zijn inhoud prijsgeeft. De gedichten van De Vreede laten zich evenwel ook niet meteen kennen. Het makkelijke is slechts schijnbaar. De treurige ondertoon krijgt pas na herlezing zijn diepe kleur: een roep om vrede tegen beter weten in, al draai ik hier opzettelijk de woorden van De Vreede om. Haar boodschap is dat de ellende haar er niet van weerhoudt om om vrede en geluk te roepen. In het laatste gedicht van de bundel, het gedicht ‘Laatste wens’, zegt ze dat ze hoopt dat haar lichaam haar brein zal weten te overtuigen als haar leven niks meer is. Maar ze eindigt met een

maar:
mijn glimlach blijft me verbazen
mijn mond hoor ik zeggen: ‘hè lekker!’
van velerlei liefde klopt nog mijn hart
zal de zon ondergaan
ik verheug me
want ook van avondluchten
heb ik nog lang niet genoeg

Optimistische woorden, zou je zeggen. Maar als je echt vrolijk bent, heb je die niet nodig.

 

Roodkoper, december 2001 - 7