Patty Scholten
Slapen zonder weerga
Uitgeverij Atlas
Rainer Maria Rilke schreef enkele gedichten over dieren. Der Panther is daarvan het beroemdst. Daarin beschrijft hij de gevangenschap van een panter in een kooi, het eindeloze heen en weer lopen langs de tralies. De tweede strofe luidt (in vertaling van Peter Verstegen): “De zachtheid van zijn lenig sterke pas/ die steeds de allerkleinste kring beschrijft/, is als een dans van kracht rondom een as/ waarin een machtig willen is verstijfd.” Rilke heeft zich ingeleefd in een panter en het dier als het ware van binnenuit beschreven. Zij die diepere lagen zoeken in gedichten, zien der Panther ook nog als een zelfportret: de dichter zit opgesloten in zichzelf.
Patty Scholten heeft al talloze gedichten (sonnetten) geschreven over dieren. En ze deed dat steeds erg goed, getuige de erkenning die ze daarvoor kreeg. In de tweede afdeling van Slapen zonder weerga staan er weer een paar: een keizerspinguïn, een leeuw, koeien en zwanen, om er enkele te noemen. En ook hier zijn het stuk voor stuk bijzondere observaties met prachtige vondsten. Twee parende reuzenschildpadden noemt ze twee halve globes die één aardbol scheppen, het ei van de keizerspinguïn is het Fabergé, en de jak is een rots, een blok beton, een os van staal.
Anders dan bij Rilke blijft Scholten zelf, naar mijn mening, buiten beschouwing. Zij wordt het dier niet dat ze waarneemt. Dat komt voor een deel door de enorme hoeveelheid dieren die al uit haar pen is gekropen - het is ondoenlijk om in al die beesten de dichter te gaan zoeken – maar ook omdat ze vaak voor de komische benadering kiest.
Ik stel me twee lezers voor: de ene zal zeggen dat niet alle literatuur zo diepzinnig hoeft te zijn en raadt je aan om gewoon te genieten van haar gedichten; de andere lezer zal zeggen dat haar diergedichten een diepere laag missen.
Dat roept natuurlijk de vraag op wat Patty Scholten er zelf van denkt. Haar antwoord lijkt verborgen te liggen in het inleidend gedicht waarmee de bundel opent en dat gaat over een schilder die een mier over zijn doek laat lopen en het dier achtervolgt met krijt: … Een waskrijt volgt hem, trekt scharlaken/ patronen die steeds meer vervlochten raken. Zo ontstaat een wirwar van lijnen: de wandeling van de mier wordt tot kunst verheven.…
Zie hier de mier, ontheemd en vol verdriet.
‘k Ren eindeloos door wit, mij volgt rood vet.
Ik zoek alleen mijn nest. Het is hier niet.Misschien toch wel, als ik de lijst verlaat.
Maar ik word telkens, telkens teruggezet.
Ik ben geen kunstenaar. Ik ben soldaat.Scholten is de schilder en de mier staat voor alle dieren die ze tot nu toe in bezit heeft genomen door in hun huid te kruipen; het schilderij is haar gedicht. Tegelijk is Scholten ook de mier die zegt geen kunst te zijn, dus niet diepzinnig.
Met andere woorden: haar waarheid ligt in het midden, en om naar de lezers terug te keren: ze kan het met beide eens zijn.Dieren horen meer bij kinderen dan bij oude mensen, en zelfs in haar voornaam, Patty, zit iets jeugdigs verborgen, maar ook zij wordt ouder. In de eerste afdeling van Slapen zonder weerga toont ze zichzelf op middelbare leeftijd in een serie restaurantgedichten: een restaurant in een museum, een lunchroom, een restaurant in Praag, waar ze haar 26-jarig huwelijk viert, een gaarkeuken, een koffiehoek in een bejaardenflat. En elk gedicht leest met hetzelfde gemak als haar dierenwerk. Mensen zijn tenslotte ook dieren en zo benadert ze ons ook. Heren, mannen, men, een vrouw alleen, dat zijn de hoofdpersonen. Daarmee houdt ze een bepaalde, luchtige, afstand die als prettig aanvoelt. In het Brusselse Museum voor Schone Kunsten gaat het als volgt: Men komt er via een hardstenen trapje:/ toeristen met een trui los omgeslagen/ en heren die een pak met stropdas dragen./ Een vrouw – alleen als ik – nipt van een sapje.// Men lest beschaafd de dorst en vult de magen./ Vier vrouwen nemen babbelend een hapje/ van hun salades, lachen om een grapje,/ brengen hun dienblad naar de afruimwagen.
Ik wou wel in die koele hoofden kijken.
Heeft dan geen beeld hun hart in vlam gezet?
Waar is de wilde vreugde om Van Eyck enhet ongemak om Ensor, Giacometti?
Slechts één man vouwt de handen in gebed.
Maar hij dankt niet voor Breugel. Voor spaghetti.De derde afdeling heet ‘Verschuivend leven’. Uit deze afdeling komt ook de titel: Sterven doet geen pijn./ Het zal een slapen, slapen zonder dromen,/ het zal een slapen zonder weerga zijn. Het is een mooie titel, maar ik vind hem niet passen bij de inhoud van deze bundel. Het is waar dat de ouderdom en de daarbij horende contemplatie in veel gedichten aanwezig is, maar er is nog zoveel levenslucht dat de dood geen poot aan de grond krijgt. Zelfs het gedicht over de dood zelf lijkt te gaan over een levend wezen: Die lompe gast zal jou niet overslaan./ Nooit belt hij op en vraagt: ‘Kom ik gelegen?’/ Hij komt te vroeg, te laat, zijn zeis stoot tegen/ je lamp of vaas. Hij laat zijn koffie staan.
Alleen in het allerlaatste gedicht, over Auschwitz, krijgt de dood vat op haar, en daardoor op mij als lezer. Het gedicht doet aan een rondeel denken door de herhaling van regels. Een herhaling die staat voor de herhaling waarop de gevangenen (= Häftlinge) op appel moesten komen; Scholten zingt een treurige melodie. Al is het onmogelijk om bij het lezen van dit gedicht (of eigenlijk elk gedicht over concentratiekampen) niet aan Todesfuge van Paul Celan te denken, het is bewonderenswaardig dat ze het aandurft om zo’n groot onderwerp aan te gaan. Het handschrift van de komiek blijft herkenbaar, maar de lach is van haar mond verdwenen. Dat aan het eind van de bundel, bij zoveel ellende, het nietige miertje weer terugkeert, kan geen toeval zijn.Auschwitz
Hier stonden Häftlinge op het appel.
Hoog boven ze het ruisen van de bomen.
Dit godverlaten oord was Dantes hel.Ik zit te kijken op een trap en tel
zes treden om in een barak te komen.
Hier stonden Häftlinge op het appel,soms twaalf uur lang. Het vroor, de zon scheen fel.
Stonden ze dan te zweten of te dromen?
Dit godverlaten oord was Dantes hel.Droomden ze van wat soep in hun gamel,
een koolraap, van de akker meegenomen?
Hier stonden Häftlinge op het appel.Er rennen miertjes rond, nerveus en snel.
Nog minder waren zij, hier aangekomen.
Dit godverlaten oord was Dantes hel.Ik drink wat, eet een boterham, hoewel
zij honger leden en zijn omgekomen.
Hier stonden Häftlinge op het appel.
Dit godverlaten oord was Dantes hel.
Roodkoper, november 2002 - 6