Tjitske Jansen
Het moest maar eens gaan sneeuwen

Uitgeverij Podium

 

Een groot artikel over haar in de Volkskrant, ze las o.a. voor op Poetry International en Lowlands: hooggespannen verwachtingen leiden niet zelden tot teleurstellingen en zo ook dit keer bij mij.
Het moest maar eens gaan sneeuwen,’ heet haar debuutbundel en om die titel te verlichten, prijkt op de voorkant het hoofd van een klein meisje – Tjitske Jansen zelf, zegt ze in het eerdergenoemde interview – in het zwembad, met natte haren, een beslagen oranjegeel zwembrilletje en roze lippen; het is een mooie voorkant. Dat zij het zelf is, past goed bij de inhoud, want veel van de gedichten gaan over haar eigen jeugd: haar kindertijd, haar pubertijd en haar prille volwassenheid. En mijn teleurstelling zit ‘m vooral daarin: dat ik eigenlijk niet werkelijk geïnteresseerd ben in het leven van een jong meisje. In ‘Dertien’ schrijft ze:
in het vrouwenlijfboek/ van mijn moeder// heb ik gelezen/ dat de voorkant/ onder je navel,/ en nog verder naar onder, venusheuvel heet. Nou en?

Bij tweede lezing, en dus zonder de hooggespannen verwachting, kon ik de meeste gedichten wél waarderen. Soms door het ongewone perspectief, waarbij ze  mij de ruimte geeft om de woorden op mijzelf te betrekken., bijvoorbeeld als een kastanje beschrijft vanuit de kastanje zelf, uitgroeiend tot een kastanjeboom: En steeds als ik zo ongeveer/ gewend ben aan mijn nieuwe vorm, steeds als ik zo min of meer/ geaccepteerd heb/ dat ik ben zoals ik ben, dan ben ik weer anders. Soms door het directe en de eenvoud van haar zinnen: Dit is een brief aan vaders en moeders./ Ik ben het kind./ Hou me vast en kijk naar me./ Til me op, zet me neer, laat me gaan.
Maar ik bleef me toch bij een aantal gedichten ergeren aan de oppervlakkigheid van de inhoud, zoals in het volgend gedicht dat doet denken aan de Hollywoodfim ‘Bodyguard’ van en met Kevin Costner waarin hij de bodyguard speelt die een popzangeres  moet bewaken – uiteraard worden ze verliefd op elkaar:

Ik wil een privé-detective
met een goed karakter
die dag en nachtbij mij moet zijn
om redenen die buiten me liggen.

Zolang de zaak onopgelost is
zal hij me niet verlaten
zodat hij langzaam
van mij kan gaan houden.

Ze leest makkelijk weg. Verklaart dat haar succes bij optredens? Ze schrijft begrijpelijke poëzie. Is dat wat de huidige lezer wil? Ik vind begrijpelijkheid geen vies woord, zolang het maar gepaard gaat met ongrijpbaarheid. In het gedicht ‘De sneeuwkoningin,’ waaraan de titel van de bundel is ontleend, is dat het geval: we bevinden ons in een sprookje. Kai heeft schreven in zijn ogen. Zijn hart is een blok ijs. Dat is de schade die liefde mensen kan berokkenen. De sneeuwkoningin: Blijf hier Kai.Hier bederf je niet. Je bent bevroren, dat is alles. Dat is toch beter dan verloren aan de liefde? Dan is er het meisje, ze zoekt Kai, ze vraagt aan de rozen of hij dood is. ‘Nee’, zeggen de rozen, ‘hij is niet dood,/ alles wat dood is, is onder de aarde,/ wij hebben hem daar niet gezien.’ De sneeuwkoningin zet alles op alles om Kai te behouden: smelt niet, bedenk wat je zult missen als je weggaat! / Alle ruimte is van jou en alle kou…

En ik zie jouw gezicht zo graag,
bevroren witte waterlelie.

Het is te laat.
Hij ziet haar al.
Hij is al niet meer hier.

Het moest maar eens gaan sneeuwen.

Frank Koenegracht maakt eenzelfde slotwending in het gedicht ‘Vroege sneeuw,’ dat gaat over een vuurpeloton dat uit zijn rol valt en in plaats van op de veroordeelde man te schieten, hem allerlei vragen gaat stellen: waarom doe je ons dit aan? Denk je alleen maar aan jezelf? De overste gaat zelfs op de grond liggen jammeren. De kapitein redt uiteindelijk de situatie en zegt: Kom heren, dit was een kostelijke grap, maar laten we nu weggaan, het wordt immers al donker. Kijk, de eerste sneeuw. Dergelijke ongrijpbare regels nestelen zich makkelijk in je geheugen. Ik kan me heel goed voorstellen dat Tjitske Jansen dit gedicht van Frank Koenegracht heeft gelezen en dat ze er op een goede manier gebruik van heeft gemaakt.

Met het gedicht ‘De idioot op het dak’ lijkt ze even eenzelfde soort gebruik te maken van een goed gedicht, (‘De idioot in het bad,’ van Vasalis), maar zet ons daarmee op het verkeerde been. Het verhaalt over een meisje dat op het dak klimt van haar ex, die wel thuis is maar niet voor haar opendoet. Omdat Vasalis op geen enkele manier in het gedicht terug is te vinden, vind ik de titel niet goed. Een zinloze verwijzing.

Een mooi gedicht om mee te eindigen, het gedicht dat ook het laatste van de bundel is en waarin het zwembad van de voorkant, het ontdekkende dat zo bij jeugd hoort, volwassen beeld en taal bij elkaar komen:

Het zwembad in
om daar mijn voeten
nat te maken

eruit om met die natte voeten
de tegels naast het zwembad
aan te raken

kijken hoe de tegeltenen
verdwijnen
in de zon.

Een foto die tevoorschijn komt
maar dan andersom.

In het bad
uit het bad
ik zong
een lied dat ik op school geleerd had.
‘Looft den heer want hij is goed’
en iets met goedertierenheid.

 

 

Roodkoper, winter 2003 - 4