Tsead Bruinja
Dat het zo hoorde

Uitgeverij Contact

 

tsead bruinja schrijft zonder interpunctie in gedichten met korte zinnen is dat niet zo opmerkelijk sinds de vijftigers mag dat maar in zijn prozaïsche gedichten die er uitzien als blokken tekst met meer dan 15 regels paginabrede zinnen is het op zijn minst opvallend het is alsof je onder een douche staat van taal een woordenwaterval waarin het je bovendien moeilijk wordt gemaakt door de wemelende wendingen het water kan bijvoorbeeld dronken zijn iemand kan er gastentenen kietelen of de dagen kunnen er stokstijf braken het zijn met name deze gedichten die je moet ondergaan en begrijpen zonder dat je ze begrijpt ik zal een kort stukje citeren hij lacht zijn tanden bloot en bekijkt tevreden rouwranden die kleurloos dwarrelen boven nagelriemen resten echte boter drongen zich op aan speekselklieren ledigden tong van wrok ontspanden tunnelvisie kriebelden met fladdertriolen de maagwand et cetera

In het (lelijke) openingsgedicht ‘U slikt’ geeft Bruinja de gevoelens die hij met zijn woorden bij de lezer verwacht op te roepen zo weer:

hier bent u/ hoort u/ hier// de kraag hoog/ de hond mank/ het pak krap// van schaap/ net van wiel/ wat spint dat// u knikt/ kijk / u knikt// knikt u/ dan knak/ ik// ik laat u/ uw hond mank/ uw pak krap// u knikt/ ziet u/ u knikt

Ik moet zeggen dat het genoemde knikken van instemming bij mij lang op zich heeft laten wachten, maar dat ik nu, na her- en herlezing, toch wel overtuigd raak van de zeggingskracht van veel van de gedichten in deze debuutbundel (terzijde: Tsead Bruinja is al jaren zeer actief, getuige zijn c.v. op zijn website en ook heeft hij al verschillende bundels in eigen beheer uitgegeven. Dan is het in feite toch raar om te spreken over een debuut, alsof de wereld van de uitgevers de enige echte is).

Bruinja spreekt met meerdere tongen. Er zijn de bovengenoemde blokgedichten die je moet ondergaan, soms schrijft hij verhalend, waarbij werkelijkheid en onwerkelijkheid in elkaar kunnen overgaan en dan schrijft hij weer kort en dicht. 

Hier een toegankelijk gedicht over een ik en een meisje:

ik zei ik zie de roos
als een wrak
in aanbouw

ze zwierde aan de kroonluchters
boven de romige hapjes

met een vorkje porde ik van alle kanten
in het gebakje

vat vol ongenoegen dat ik ben
inclusief slenterhart dat al twee dagen
zijn plek niet meer kent

en ik maar denken
ik liet haar gaan maar niet zonder
slag of stoot geen letter hortte uit mijn mond
ik stotterde alleen maar rook

toen ze zei dag ik hou van je
riep ik heel hard tegen het plastic ivoor
dag telefoon
dahaaaaaag

Een mooi gedicht. Ik lees de relatie tussen een jongen en een meisje, die op de proef wordt gesteld doordat het meisje voor een bepaalde periode weggaat, naar het buitenland bijvoorbeeld. Het wordt gevierd met gebak. Het meisje is een en al vrolijkheid, en de jongen eet tegen heug en meug. Hij neemt zich voor om haar niet te laten gaan, of op zijn minst alles te zeggen wat hij wil zeggen, maar hij zegt niks. En het gedicht eindigt met de ontlading aan de telefoon, waarbij alle ellendige boosheid en opgekropte teleurstelling er in één woord wordt uitgeflapt: dahaaaaag. Nogmaals, een mooi gedicht, maar ik heb ook kritiek: de eerste drie regels zijn prachtig, maar ik vind ze niet passen bij de rest van het gedicht. Het meisje is euforisch, de jongen pessimistisch, en bij geen van beiden past de romantiek van de vervallen roos. Als de jongen werkelijk een romanticus was, dan zou een snik hem beter passen dan boosheid.

Er komen veel kleuren in de bundel voor, en de dingen worden zintuiglijk beschreven, maar toch is het geenszins een overzichtelijk plaatje. Als ik een naam zou moeten geven aan deze poëzie dan zou het fantastisch realisme zijn: bedenk het en het bestaat. Een mooi verbeeld daarvan is het gedicht over een handelsreiziger die wonderen verkoopt: een man staat voor mijn deur/ met een hopeloos wonder/ voor een zachte prijs en als de ikpersoon niet direct op aankopen overgaat haalt wat van de prijs/ en oppert dat ik ermee/ zou kunnen leuren. In de wereld van het woord kan alles bestaan, ook dingen die doorgaans niet bestaan. Dus ook een directeur van de zon, die in het gedicht langzaam de vormen aanneemt van zijn eigen vader: hij scheen de baas van een prachtig brandend huis/ men zegt het behang was geel nicotine/ het hart van buiten is het hart van binnen/ vlammend rood zegt men vlees in het licht is rood// maar als je door mijn aderen kroop/ en me deelde dan ben je die ene/ die zich in het na de lamp uit/ voor de slaap klaarmaakt de trap op gaat
De gedichten waarin Bruinja dicht bij zijn eigen herinnering blijft - nooit wordt iets zo ver vergeten/ dat het niet meer kan worden bedacht -, zijn het makkelijkst, zoals in het gedicht Brief waarin zijn jeugd het onderwerp is:
….
je denkt aan hoe de jongen ’s avonds
het hout voor de allesbrander uit de schuur moest halen
hoe je van een programma als dallas nog zonder reclame
dan een deel moest missen

ziet hoe jij en je vriendje op een woensdagmiddag
in een wedstrijdje
wie het verst kan pissen
naast de sloot dampende gele stralen
op het eendekroos plaatsen
en verdwijnt zoals je kwam
door twee trotse zwarte gaten

Dat is een mooi beschreven jeugdherinnering. Waar komen die beelden vandaan? Uit een groot zwart gat, dat er uitziet als het zwarte gat in het kroos. Daaronder, in het water, bestaat de wereld van herinnering, zoals Nijhoff die ook al heeft beschreven. Hij maakte met zijn hand een wak tussen de lissen.Tsead Bruinja doet het met pissen.

 

Roodkoper, herfst 2003 - 3