De tentoonstelling
Ze had haar jas al aan, maar toch haalde ze nog even de uitnodiging uit haar tas. Opnieuw las ze de snelgekrabbelde woorden ‘ik zie je bij de opening, Job’. Ze liet haar ogen nog een keer langs de namen gaan en ook nu weer overviel haar een soort droefheid die ze zou ontkennen als Job ernaar zou vragen. Voor hem was het geweldig dat hij een plaats had weten te veroveren in de kunstwereld en daarmee de erkenning kreeg die hij altijd had gewild; maar zij begreep dat het tussen hem en haar anders zou worden. Hun wereld was nu voorgoed groot. Dit was een afscheid.
Gisteravond had ze nog de hoop gehad dat hij toch zou komen om het samen met haar te vieren en zelfs ’s nachts had ze hem nog verwacht, gewild. Tegelijk dacht ze aan de laatste keren dat hij midden in de nacht onverwacht bij haar in bed gekropen was en wilde vrijen. In het begin had ze dat wel laten gebeuren, maar later steeds vaker niet. Ze voelde zich een trut.
Snel, plotseling opgejaagd, deed ze de uitnodiging weer terug in haar tas en ging.Het was heerlijk weer en toen ze de straat van de galerie in fietste was haar zwaarmoedigheid verdwenen.
Bij het neerzetten van haar fiets keek ze rond of ze ergens de fiets van Job zag. Toen ze die niet ontdekte, stelde ze zichzelf gerust met de gedachte dat hij waarschijnlijk te laat zou komen.Al was het nog maar tien voor vier, ze was lang niet de eerste. Het lachen van een paar chic geklede vrouwen klonk hol in de hoge ruimte en her en der liepen stellen langs de werken.
Ze zocht het werk van Job. Het moest een verrassing blijven had hij haar gezegd toen ze vroeg of ze mocht komen kijken op zijn atelier; en dat ze het zeker zou herkennen. Ze wist niet wat ze verwachten moest. Ze hoopte op groot werk.
In deze ruimte hingen wel drie enorme schilderijen, maar die waren onmiskenbaar van Armando. En aan de andere kant hing een serie grote glamourfoto’s. Ze zocht naar de naam van de fotografe, maar kon er niet opkomen. Ze besteedde er geen aandacht aan. Ook negeerde ze de ijzeren platen die aan het plafond hingen. Somber gedoe.
Zo kwam ze in de volgende ruimte. Daar was het drukker. Haar ogen zochten de gezichten af. Sommige herkende ze van andere tentoonstellingen, maar er was niemand die ze goed genoeg kende om aan te spreken.
Haar aandacht werd getrokken naar een muur waar een serie kleine foto’s hing, ruim opgehangen. Aan de rechterkant stonden een paar mensen zachtjes te praten. Bij de eerste foto stond niemand.
Ze liep erheen. Haar voeten leken te aarzelen, maar haar ogen waren strak gericht op de jongen op de foto. Dat was Job. Hij stond in een bootje, zijn jas half open.
Ze stond voor de foto. Ze stond zo gewoon mogelijk, maar ze voelde zich gespannen.
Hij fotografeerde zichzelf nooit. Opeens bedacht ze dat dit waarschijnlijk het werk van een andere kunstenaar was, en meteen zocht ze het kaartje. Het bleek toch van hem. Zonder titel.
Ze keek terug naar de foto en leek nu beter te weten wat ze zag: een meer, ze wist niet waar. De leegte was voelbaar. In zijn hand, en deels verborgen achter zijn been, hield hij een betonschaar. Ze herinnerde zich hoe Job eens op een middag gedemonstreerd had hoe dat ding werkte: met groot gemak knipte hij een ketting doormidden.
Alsof de tweede foto haar geroepen had, zo liep ze er naartoe. Het was bijna dezelfde foto, alleen had hij zijn jas uit en zijn blik was uitdagender, boos haast. En de stilte leek hier nog beklemmender dan op de eerste foto. Ze maakte snelle stappen: de derde. Ze schrok. Job stond daar alleen in zijn onderbroek; de betonschaar hield hij omhoog. De vierde; de man die er voor stond duwde ze weg.
Ze zag eerder de erectie dan dat ze zag dat hij naakt was. De betonschaar was afschuwelijk.
Ze wilde de volgende foto zien, maar keek tegen de bontjassen van twee vrouwen. Ze drong zich tussen hen in. Het gevloek drong nauwelijks tot haar door; ze keek.
Ze keek naar een afgeknipte piemel die zweefde in de lucht.
De schreeuw die op het gezicht stond van Job klonk in haar hoofd dwars door haar eigen hartsslag.
Ze keek naar de foto.
Er was geen tijd meer. Er waren geen mensen meer, alleen zij was er en Job.
Totdat de werkelijkheid van het moment weer tot haar door kon dringen en ze zich realiseerde dat er meer foto’s hingen. Ze stapte voorzichtig naar rechts en liep langzaam langs de plaatsmakende omstanders op de volgende foto af.
Het was een tel na het vorige moment: Job viel opzij. Het stukje vlees zweefde ergens halverwege de betonschaar en het water. Een straal bloed spoot uit het midden van zijn lichaam, alsof hij plaste. Het was stil in haar hoofd.
Opeens, zonder dat ze zich herinnerde verder gelopen te zijn, stond ze bij de volgende foto waar Job in het water viel. Zijn hoofd was al niet meer te zien. Ze keek naar zijn billen. De boot lag op zijn zij en toonde de kleren die Job had aangehad. Haar oog viel op de geruite binnenkant van zijn jas. Die was haar nooit eerder opgevallen. Een moment dacht ze dat het Job niet kon zijn die zich daar had verminkt, maar toen ze weer naar zijn witte billen keek en naar zijn behaarde benen die boven het water kromden, was de twijfel weer weg.
Als in slowmotion zag ze haar blik teruggaan naar de jas, naar de onbekende binnenkant. Daaraan denkend liep ze verder. Er waren nog drie foto’s. Drie foto’s, fluisterde het in haar hoofd. De eerste toonde het lege bootje, tot rust gekomen. Het water verraadde op geen enkele manier dat er een onderbreking was geweest van het ritme. Er was ook geen kleurverandering. Alleen een leeg bootje.
Ze zag nu voor het eerst de wolken op de achtergrond. Grote wolken. Dramatische wolken.
Lamgeslagen liep ze naar de voorlaatste foto. Het was dezelfde foto, maar dan genomen van een veel grotere afstand. De boot was kleiner geworden, eenzamer.
Ze vermoedde wat er op de laatste foto te zien was: een leeg meer.
Gepubliceerd in De Tweede Ronde, lente 2002