Met het verkeerde been uit bed gestapt
Het is vroeg in de morgen. De zon schijnt door een kiertje van de gordijnen. Een oude man ligt naast zijn bed op de grond. Hij heeft alleen zijn onderbroek aan; vodderig wit, grote gulp. Het laken ligt slordig opengeslagen, het kussen is nog in het midden ingedrukt. Het haar van de man zit door de war; zijn kin is grijs van stoppels. Zijn gezicht staat op half zeven.
De man heeft één been. Van het andere been heeft hij alleen nog het stompje, dat goed zichtbaar is door de pijp van zijn onderbroek. Het stompje wordt met een spotje belicht. Een tweede lamp is gericht op zijn gezicht.
Dat is het begin van de dagelijkse werkelijkheid.
Twee meter van de man af staat een tweede man. Zijn haren zijn nat gekamd, zoals bij een nette, door zijn moeder aangeklede jonge jongen. Deze man is ouder dan een jongen, maar jonger dan de oude man. Het zou zijn zoon kunnen zijn. Hij draagt een domme trui. Hij kijkt uitermate vrolijk. Hij lacht een lach die geboren is uit leedvermaak.
Hij wordt verlicht door een peertje. Boven zijn hoofd hangt een tekstballon. Daarop staat: “Met het verkeerde been uit bed gestapt?”Ik kan niet tekenen. Om toch strips te kunnen maken, maak ik foto’s. Ik stond ook in de kamer. We waren al een ruim een half uur bezig. Het bed, het haar van de oude man, de lampen, de jongere man die kramp in zijn kaken kreeg van die grijns, de oude man die het koud had gekregen en af en toe fantoompijn had. Ik schoot sneller dan ik eigenlijk wilde een rolletje vol.
Dat is de werkelijkheid. Of beter gezegd, ook een werkelijkheid. Want ik weet heel goed dat er vele werkelijkheden zijn. Zo geeft de strip, als die uiteindelijk gepubliceerd wordt, eigenlijk een onjuist beeld van de situatie: de lachende man vond het helemaal niet grappig; hij zat de hele tijd te zeuren dat hij het zo vervelend vond. En de oude man die op de grond leek te zijn gevallen, was juist het geduld zelve, ondanks de kou en de fantoompijn. Hij had enorm moeten lachen om de grap. Terwijl zijn dochter problemen had gemaakt en had gezegd dat ik onverantwoordelijk bezig was.
Zij heeft haar benen nog, maar haar gevoel voor humor moet ze ergens in haar leven verloren hebben.Toen ik zei dat ik klaar was, haalde de jongere man snel zijn jas uit de gang en zei ons chagrijnig gedag. De oude man en ik keken elkaar aan en begrepen het grappige van de situatie en konden ons lachen nauwelijks inhouden. Toen we de deur hoorden dichtklikken, lieten we onze lach ontsnappen. We deden op ons gemak wat we moesten doen: hij pakte zijn kleren en kleedde zich aan, zo goed en zo kwaad als dat gaat met één been; ik deed de lampen uit en begon mijn spullen op te ruimen. Ons lachen verstomde.
Na een tijdje vroeg ik hem naar zijn fantoombeen. En zei dat ik daar ook wel een keer een strip over wilde maken. Hij glimlachte, maar ik zag dat hij pijn had. Zo vreemd kan de werkelijkheid zijn: iets wat er niet is, doet zeer.
Hij vertelde me waar hij zijn been voelde en wees naar het bed waar hij op zat. En dat hij het ook voelde met zijn ogen dicht en in het pikkedonker. Ik vroeg hem of hij wel eens van aurafoto’s had gehoord. Niet. Ik vertelde hem hoe zo’n foto eruit ziet, felle kleuren rond een hoofd. Soms zo fel dat je het gefotografeerde hoofd niet eens meer ziet, maar alleen het aura. Ik zei hem dat ik best wel eens een aurafoto van zijn ontbrekende been zou willen zien. Hij keek me met een merkwaardige frons aan.
Aan het plafond hing nog de tekstballon.Vandaag kreeg ik met de post van hem een foto. Een foto van een staande figuur. Ik wist meteen dat hij het is, ook al kon ik geen gezicht of zelfs een lichaam onderscheiden. Ik zag een blauw en roodpaars gekleurd silhouet. De figuur had één duidelijk been. Op de plek waar het andere been hoorde te zitten, was een onduidelijk donkergroen, dat langzaam overging in het zwart van de achtergrond.
Bij de foto zat een kaartje waarop stond dat we de werkelijkheid altijd kunnen betrappen. Ik glimlachte.
Ik kon de foto niet uit mijn gedachten krijgen. Ik kreeg steeds meer het gevoel dat dit een belangrijke ontdekking was. Dat heel veel mensen hiermee geholpen zouden kunnen zijn. Dat er best wel eens een televisieprogramma in geïnteresseerd zou zijn kunnen zijn. Dus ik probeerde telefoonnummers te vinden van omroepen. Maar toen ik er een gevonden had, zag ik ervan af. Ik zou niet bellen. Want de werkelijkheid is anders dan je denkt. Wat zou ik moeten zeggen? Dat ik alles bedacht heb? Want zo is het.
Ik heb de oude man wel gezien. Met een vrouw die zijn dochter zou kunnen zijn. Ze liepen in het Oosterpark. Ik schonk eigenlijk geen aandacht aan ze totdat hij viel. Niet hard of zo, maar stuntelig en langzaam. Het leek bijna alsof hij ging liggen. Toen hij op de grond lag, met de stokken naast hem en zijn dochter over hem heen gebogen, schoot dat spreekwoord door me heen. Dat hij het verkeerde been niet meer heeft en dus valt als hij daarmee uit bed wil stappen. En daar lag hij dan. Weliswaar niet in zijn slaapkamer en gewoon met kleren aan, maar ik zag de foto al voor me. Het leedvermaak op het gezicht van iemand met een tekstballonvraag boven zich of hij soms met het verkeerde been uit bed was gestapt.Voordat ik helpen kon, was er al een andere man bij gekomen die haar hielp hem op te helpen. Ze liepen gezamenlijk naar een bankje. Daar liet de man de vrouw en haar vader achter.
Ik deed alsof ik ze niet zag, de slapstickval niet had gezien, en ging zo nonchalant mogelijk op het bankje tegenover hen zitten. Ik keek om me heen, niet naar hun, niet naar dat ontbrekende been, of zo onopvallend mogelijk.
Zijn rechterbroekspijp was dichtgeknoopt.
Ik durfde niet naar ze toe te gaan. Wat moest ik ze vragen? Dat ik hem graag in zijn onderbroek wilde fotograferen?
Zij was bovendien erg mooi. Ik ben verlegen. En mooie vrouwen durf ik al helemaal niet aan te spreken. Mooie vrouwen zijn altijd erg zeker van zichzelf. Dat hebben ze van jongs af aan meegekregen, omdat iedereen altijd aardig voor ze was. Mooie kindertjes komen vaak op de foto, mooie meisjes krijgen aandacht, mooie vrouwen krijgen goede banen.Ik kan eigenlijk wel tekenen. Maar niet zo dat ik alles uit mijn hoofd kan. Ik heb de werkelijkheid nodig om na te tekenen. Daarom fotografeer ik veel. Ik heb stapels foto’s van mensen: lopend, zittend, liggend, pratend etc. En bij het tekenen van strips gebruik ik die foto’s. Ook om de werkelijkheid te vervormen. Dan geef ik bijvoorbeeld een man het hoofd van een andere man, of stel ik een persoon samen van allerlei mensen. Dat noemt men creativiteit.
Bijna altijd heb ik mijn camera bij me. Nu ook.Zij stond als eerste op. Zij hielp hem opstaan. Hij was weer wat onhandig. Misschien was het nog maar kort geleden geamputeerd.
En wat doen ze eigenlijk met zo’n been. Verbranden? Alvast begraven op de plek waar later de rest komt te liggen. Hier rust het rechterbeen van huppeldepup.Ik fotografeerde ze toen ze wegliepen. Ze zagen het niet. Ik had trouwens meer oog voor haar dan voor hem. Dat donkere, geheimzinnige haar.
Soms heeft een vrouw van achteren gezien zulk mooi haar, dat ze wel een prachtig gezicht moet hebben. Dan moet je gewoon haar gezicht zien. Dus moet je op een onopvallende manier voor haar komen, en je je zogenaamd zomaar omdraaien. Dat valt natuurlijk ook wel eens tegen. Dat zijn van die momenten dat er plotseling zo’n intens treurig gevoel over je heen kan komen.
Nu ik zeker wist dat ze de belofte van de achterkant aan de voorkant ruimschoots waarmaakte, wilde ik haar ook van voren hebben. Voor later. Hem ook wel, natuurlijk. Dus ik maakte een omtrekkende beweging. Zij liepen niet hard. Hoe hard kunnen twee mensen lopen met drie benen en twee stokken.En nu kwam ik net van Kleurgamma. De vakfotograaf. Hier vlakbij. Rolletje laten ontwikkelen en op klein formaat laten afdrukken. Dat doen ze in twee uur.
Foto’s van gisteren en van vandaag. En dus ook van die man en zijn dochter. Maar ik snapte er niks van. Zij staat er goed op, maar hij is er niet. Zij loopt alleen op het pad. Twee foto’s van de achterkant en ook nog drie met een telelens van de voorkant. En die man staat er niet op. Alleen lijkt er een gloed naast haar te zijn, als je goed kijkt, een groene zweem. Dus ik ging terug naar Kleurgamma. Maar de jongen achter de balie zag niks. Alleen een vrouw. Hij vond het een mooie vrouw. En van die groene zweem zei hij dat het gewoon de groene bosjes waren op de achtergrond. Ik werd een boos omdat hij mij niet geloofde. De jongen bleef vriendelijk maar zei dat hij me niet verder kon helpen. Ik mompelde wat scheldwoorden en draaide me om.
Bij het weggaan liep ik tegen een wat oudbollige man op. Ik hoorde hem tegen de jongen achter de balie zeggen dat ik zeker met het verkeerde been uit bed was gestapt.